Geschiedenis

De geschiedenis van de Chinese Geneeskunde

Volgens de oudste gegevens gaat de geschiedenis van de Chinese Geneeskunde terug tot in de prehistorie. Uit die tijd zijn opgravingen gedaan van eenvoudige stenen naalden. Daarmee werd geprikt, adergelaten en kleine operaties verricht. In het bronzen tijdperk werden de stenen naalden vervangen door metalen naalden. De oude Chinezen hadden een opzienbarende geneesmethode uitgedokterd. Ze merkten dat pijnlijke plekken op het lichaam altijd een verband hadden met een orgaan wat in dat gebied gelegen is. Als deze pijnlijke plekken behandeld werden door er een naald in te prikken, verdween de aandoening.
De mens leefde toen nog in nauw contact met de natuur. Zij waren zich veel meer bewust van het hemelgebeuren: de invloed van de zon, maan en sterren, de vier jaargetijden, wind, water, warmte en koude, dag en nacht. Deze invloed werkt volgens de Oosterse filosofie ook in op het lichaam van de mens. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop weersomstandigheden zoals regen en koude op het lichaam van de mens inwerken en het evenwicht verstoren. Het gevolg is een disbalans, waardoor ziekte kan ontstaan. Dit besef vormt de basis van het Chinese denken en de acupunctuur.

Hieronder volgt een kort overzicht met een aantal van de belangrijkste historische ontwikkelingen:

In 562 bracht een monnik 164 werken naar Japan over acupunctuur, moxa en kruiden. Deze werken werden snel en intensief bestudeerd. In Japan heerste in die tijd de mening dat de Chinese cultuur meer ontwikkeld was dan de Japanse. Vele werken volgden snel, waarvan een redelijk aantal via Korea werden ingevoerd. Er werden publieke klinieken opgericht, verbonden aan Boedhistische tempels. Rond 700 werd het eerste college opgericht met een 7-jarige studie voor acupunctuur en moxa-behandeling en een 3-jarig curriculum voor Chinese massagetechnieken als quasha.